Anker van de Belgica van Adrien de Gerlache opnieuw in Oostende – en nu voor altijd.

Benieuwd naar de turbulente carrière van de Belgica, het expeditieschip van Adrien de Gerlache?
Als schip voor zijn tocht naar Antarctica (1897-1899) kocht de Belgische ontdekkingsreiziger Adrien de Gerlache de Gomery (1866-1934) in 1896 in Noorwegen de driemastbark Patria: 36 m lang, 7,80 m breed en 4,20 m diepgang. Meesterscheepsbouwer Johan Christian Jacobsen had het in 1884 van den, eik en groenhart gebouwd in het stadje Svelvik, voor de jacht op noordelijke butskoppen en robben. Op de scheepswerf Framnæs in Sandefjord werd het omgebouwd tot een stevig onderzoeksschip met enkele hutten, een labo en een versterkte romp. De Patria werd staalgrijs-wit overschilderd en omgedoopt tot de Belgica. Officieel heette het een … plezierjacht, dat voer onder de clubvlag Royal Yacht Club de Belgique (RYCB), want de Belgische marine wilde het niet registreren.
Onder feestgejuich, beiaardgegalm en saluutschoten liet de Belgica op maandag 16 augustus 1897 de haven van Antwerpen achter zich. In Oostende moest hij om organisatorische redenen echter nog een tijd voor anker. Roald Amudsen (1872-1928), een van de beroemde bemanningsleden, noemde het met gepaste trots een parel van een vaartuig. Na de grote oversteek zette het vanop Stateneiland aan de zuidpunt van Argentinië koers naar Antarctica, waar het van maart 1898 tot maart 1899 vast kwam te zitten in het pakijs. Duisternis in de ijzige en eenzame poolnacht, scheurbuik, waanzin en dood hielden de bemanning al die tijd in hun greep. Maar op 28 maart 1899 legde de Belgica in Punta Arenas in Chili veilig aan en waren de ontberingen voorbij.
Op zondag 5 november 1899 werd de Belgica opnieuw in Antwerpen verwelkomd. Nadat het tot monument verklaarde rottende schip was gerepareerd, voer de Gerlache er als commandant nog herhaaldelijk mee naar onder meer Groenland en de archipel Spitsbergen. In 1916 kwam het in Noorse dienst en werd het opgekalefaterd en omgedoopt tot Isfjord. Gedurende twee jaar transporteerde het kolen en ander materiaal van Spitsbergen naar Noord-Noorwegen en andersom voor het in 1918 werd verkocht. De nieuwe eigenaar herdoopte het in de Belgica en bouwde het om tot drijvende visfabriek op het traject Harstad-Bergen. In 1940 lag het schip voor Harstad voor anker als Britse munitieopslagplaats voor de geallieerden tot een Duitse bom het op 19 mei tot zinken bracht. In 1990 lokaliseerden plaatselijke duikers het wrak en verkreeg het Belgica Genootschap het in eigendom. Door de grote hoeveelheid munitie aan boord werd wijselijk besloten het maar gedeeltelijk te bergen. Het genootschap schonk het in 2024 aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ).
Enkele attributen van de Belgica zijn in openbaar of privébezit, zoals het roer, het kraaiennest, een slede, het houten bord L’Union fait la Force dat op het dek hing, een opgezette pinguïn en een spookachtig sfeervolle tijdopname (90 minuten sluitertijd!) van de Belgica in het pakijs, gemaakt door de Amerikaanse scheepsarts, fotograaf en bemanningslid Frederick Cook.
Op 19 maart 2025 werd het anker officieel onthuld op de site van het Marien Station Oostende van het VLIZ, aan de Slipwaykaai in Oostende.